Terugblik op Hilversum, 22 oktober 2011
4. Als ik, omringd door tegenspoed,
Bezwijken moet,
Schenkt Gij mij leven.
Is 't, dat mijns vijands gramschap brandt,
Uw rechterhand
Zal redding geven.
De Heer' is zo getrouw als sterk,
Hij zal Zijn werk
Voor mij volenden,
Verlaat niet wat Uw hand begon,
O Levensbron,
Wil bijstand zenden.
Dominee W. van 't Spijker opende de avond met het lezen van het Bijbelgedeelte Psalm 46 en gebed. Ook sprak hij een korte inleiding naar aanleiding van het programma. Ook sprak hij zijn zorg uit over het tweede doel van de te houden collecte.
We zongen gezamenlijk Psalm 46:
1.God is een toevlucht voor de zijnen,
Hun sterkt', als zij door droefheid kwijnen;
Zij werden steeds Zijn hulp gewaar,
In zielsbenauwdheid, in gevaar;
Dies zal geen vrees ons doen bezwijken,
Schoon d' aard' uit hare plaats mocht
wijken,
Schoon 't hoogst gebergt', uit zijne stee,
Verzet wierd in het hart der zee.
3.Geen onheil zal de stad verstoren,
Waar God Zijn woning heeft verkoren.
God zal haar redden uit de nood
Bij 't dagen van het morgenrood.
Men zag de heidnen kwaad beramen;
De koninkrijken spanden samen;
Maar God verhief Zijn stem, en d' aard',
Versmolt, voor 's Hoogsten toorn vervaard.
6. De Heer', de God der legerscharen,
Is met ons, hoedt ons in gevaren;
De Heer', de God van Jakobs zaad,
Is ons een burg, een toeverlaat.
Ons eerste zangblok begon: We starten met de bwerking van Arie Loonstra op "Als des werelds glans verdwijnt":
1. Als des werelds glans verdwijnt,
als geen zon of maan meer schijnt,
Als w’aan ’t eind der pelgrimsbaan
voor het huis des Vaders staan;
Dan eerst weet ik en erken,
Heer” wat ik U schuldig ben.
2. Dierb’re Heiland, of mijn ziel hier
reeds iets te beurte viel:
Voorproef van de zaligheid,
die Gij namaals hebt bereid!
Of ik reeds hier voelen mocht tot
wat prijs ik ben gekocht.
3. In mijn ziel valt menig keer nog
een donk’re schaduw neer;
Maar als d’angst mij ’t meeste pijnt komt
Gij en de morgen schijnt!
Och, dat elk dit zie en hoor:
Jezus, dat ik U behoor.
Dit prachtige lied werd gevolgd door F. Pijlman's bewerking op "De Heem'len roemen"
1. De heem'len roemen des Eeuwigen eere
Hun jub'len rolt Zijn name voort.
Hem looft het aard'rijk, Hem bruisen de zeeën,
Verneem, o mensch hun machtig woord!
Wie zaaide aan 't luchtruim ontelbare sterren?
Wie kleedt de zon met gloed en glans?
Zij komt en brengt ons weer licht en weer leven,
En stijgt gelijk een held ten trans
En stijgt gelijk een held ten trans.
2. Aanschouw de wond'ren, de werken des Heeren
Zijn heerlijkheid, Zijn oppermacht.
Zijn wijsheid, blinkend in d'orde der sfeeren
Zijn teed're liefd' en sterke kracht!
Hem loven 's Hemels ontelbare zonnen
Als 't kruipend wormpje kleen en teer
Door wien is alles? Den eeuwigen eere!
"Op Mij", zegt God, vertrouw alleen!
"Op Mij", op Mij, vertrouw alleen!
Daarna was er samenzang van Psalm 51:
5. Verberg Uw oog van mijn bedreven kwaad,
Waardoor mijn ziel gevoelt de diepste wonden.
Delg, delg toch uit mijn schuld en al mijn zonden,
En spreek mij vrij van mijne gruweldaad.
Herschep mijn hart, en reinig Gij, o Heer',
Die vuile bron van al mijn wanbedrijven;
Vernieuw in mij een vasten geest, en leer
Mij aan Uw dienst oprecht verbonden blijven.
8. Heer', open Gij mijn lippen door Uw kracht,
Zo zal mijn mond Uw lof gestaag vermelden,
Geen offer kan voor mijne zonden gelden ;
Behaagd' U dat, straks wierd het U geslacht.
Indien Gij lust in brandend' off’ren hadt,
Dan wierd het vuur door mij gewis ontstoken;
Ik spaarde dan noch zorg, noch vlijt, noch schat,
Maar zou 't altaar van offervee doen roken.
Toen beklom Ds. W. Moehn de kansel. Hij sprak over het thema "Zingen met Maarten Luther". Zijn referaat strekte zich uit over Luther en Calvijn.
We zongen gezamenlijk lied 310 uit Liedboek voor de kerken:
1. Bewaar ons, Here, bij uw woord,
betoom des vijands roof en moord.
Hij trok ten strijde om uw Zoon
te stoten van uw hoge troon.
2. Heer Jezus Christus, toon uw macht,
Heer aller heren, kom met kracht.
Bescherm uw arme christenheid,
dat zij U love te allen tijd.
3. O Geest, die onze Trooster zijt,
geef dat uw volk ‚‚n Heer belijdt,
wees bij ons in de laatste nood,
leid ons ten leven uit de dood.
Jeduthun zong Psalm 42 van Klaas Jan Mulder:
1. 't Hijgend hert, der jacht ontkomen
schreeuwt niet sterker naar 't genot
van de frisse waterstromen
dan mijn ziel verlangt naar God
Ja, mijn ziel dorst naar den Heer'
God des levens, ach wanneer
zal ik naad'ren voor Uw ogen
in Uw huis Uw naam verhogen?
4. 'k Denk aan U, o God in 't klagen
uit de landstreek der Jordaan
van mij leed doe 'k Hermon wagen
'k roep van 't klein gebergt' U aan
'k Zucht daar kolk en afgrond loeit
daar 't gedruis der waat'ren groeit
daar Uw golven en Uw baren
mijn benauwde ziel vervaren
5. Maar de Heer' zal uitkomst geven
Hij die 's daags Zijn gunst gebiedt
'k Zal in dit vertrouwen leven
en dat melden in mijn lied
'k Zal Zijn lof zelfs in den nacht
zingen daar ik Hem verwacht
en mijn hart, wat mij moog treffen
tot den God mijns levens heffen.
Gevolgd door Arie Kortleven's bewerking op Psalm 87:
1. Zijn grondslag, zijn onwrikb're vastigheden
Heeft God gelegd op bergen, Hem gewijd;
De HEER, die Zich in Sions heil verblijdt,
Bemint het meer dan alle Jacobs steden.
3. De Filistijn, de Tyriër, de Moren,
Zijn binnen u, o Godsstad, voortgebracht;
Van Sion zal het blijde nageslacht
Haast zeggen: "Deez' en die is daar geboren".
5. Dan wordt mijn naam met lofgejuich geprezen;
Dan zullen daar de blijde zangers staan,
De speelliên op de harp en cimbel slaan,
En binnen u al mijn fonteinen wezen.
Om dit blok te beeindigen met van Zweden's "Gebed om genade":
1. Heer’ ik sta als de tollenaar
voor U en buig mij neer
Doe mij niet weg van voor Uw oog
Wees mij genadig Heer’
2. Wanneer ik aan mijn zonden denk,
buig ik mij dieper neer
Wie kan, o Heer’ voor u bestaan?
Wees mij genadig Heer’
3. Mijn zondeschuld belijd ik U,
mij rest geen uitweg meer
Dan door het offer van Uw Zoon
Wees mij genadig Heer’
Onder het zingen van Psalm 75 werd er gecollecteerd voor Stichting MAF en ter bestrijding van de onkosten die deze avond met zich meebrengt:
1. U alleen, U loven wij;
Ja wij loven U, o Heer',
Want Uw Naam, zo rijk van eer,
Is tot onze vreugd nabij.
Dies vertelt men in ons land,
Al de wondren Uwer hand.
4. Geen geval, geen zorg, geen list,
Oost, noch west, noch zandwoestijn,
Doet ons meer of minder zijn:
God is rechter, die 't beslist;
Die, als aller oppervoogd,
Deez' vernedert, dien verhoogt.
6. 'k Zal dit melden, 'k zal altijd
Zingen Jakobs God ter eer,
Slaan der bozen hoornen neer,
Vellen wat Zijn Naam bestrijdt;
Maar der vromen hoorn en macht
Zal verhoogd zijn door Gods kracht.
Daarna gingen wij weer staan om ons derde zangblok ten gehore te brengen: te beginnen met "De kerk van alle tijden", bewerkt door onze Arie:
1. De kerk van alle tijden kent
slechts één vaste grond:
‘t Is Christus, die door lijden
Zijn volk aan Zich verbond.
Om haar als bruid te werven,
kwam Hij ten hemel af;
‘t Was Hij, die door Zijn sterven
aan haar het leven gaf.
3. God houdt Zijn kerk in leven,
hoe ook bespot, verdrukt,
Door dwalingen omgeven,
verscheurd, uiteen gerukt.
Al roepen van de tinnen
de wachters nog: hoelang?
Straks gaat de dag beginnen,
en ’t klagen wordt gezang.
4. In rampspoed, moeit’ en zorgen,
in ’t heetste van de strijd,
Wacht zij de grote morgen,
de vrede voor altijd.
Tot eens haar hunk’rend ogen
aanschouwen,blij ontroerd,
Hoe God haar komt verhogen
En tot victorie voert
Daarna zongen we het mooie "Eens was ik een vreemd'ling"in de bewerking van Harm Hoeve:
1. Eens was ik een vreemd’ling voor God en mijn hart
Ik kende geen schuld en gevoelde geen smart
Ik vroeg niet: Mijn ziele doorziet gij uw lot
Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God
2. Al sprak daar een stem uit de Heilge Blaân
Van ’t Lam met de zonden der wereld belaân
Ik zocht bij de kruispaal geen veilige wijk
‘k Stond blind en van verr’ in mij zelve zo rijk
3. maar toen mij Gods Geest aan mijzelf had
ontdekt
toen werd in mijn ziele de vreze gewekt
toen voeld’ ik wat eisen Gods heiligheid mij deed
daar werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed.
4. Nu ken ik die waarheid, zo diep als gewis
Dat Christus alleen mijn gerechtigheid is
Nu tart ik de dood; nu verwin ik het graf
Nu neemt mij geen satan de zegekroon af.
Ds. W. van ’t Spijker besloot de avond met het bedanken van medewerkenden en belangstellenden, waarna allen staande zongen:
1. Een vaste burg is onze God,
een toevlucht voor de zijnen!
Al drukt het leed, al dreigt het lot,
Hij doet zijn hulp verschijnen!
De vijand rukt vast aan
met opgestoken vaan;
hij draagt zijn rusting nog
van gruwel en bedrog,
maar zal als kaf verdwijnen!
Samenzang
2. Geen aardse macht begeren wij,
die gaat welras verloren.
Ons staat de sterke Held ter zij,
die God ons heeft verkoren.
Vraagt gij zijn naam? Zo weet,
dat Hij de Christus heet,
Gods eengeboren Zoon,
verwinnaar op de troon:
de zeeg' is ons beschoren!
3. En grimd' ook d' open hel ons aan
met al haar duizendtallen,
toch zal geen vrees ons nederslaan,
toch doen wij 't krijgslied schallen.
Hoe ook de satan woedt,
wij staan hem voet voor voet,
wij tarten zijn geweld;
zijn vonnis is geveld:
een woord reeds doet hem vallen!
4. Gods woord houdt stand in eeuwigheid
en zal geen duimbreed wijken.
Beef, satan! Hij, die ons geleidt,
zal u de vaan doen strijken!
Delf vrouw en kind'ren 't graf,
neem goed en bloed ons af,
het brengt u geen gewin:
wij gaan ten hemel in
en erven koninkrijken!
Nadat we de kerk uit waren was het maar een klein stukje lopen naar de parkeergarage, waar we onze auto hadden staan. Eenmaal thuis was deze avond alweer een fijne herinnering. Zeker ook aan het debuut van deze trompettist en het orgelspel van Marcel.
Met dank aan ons koorlid Henk Liberia, 1 van de organisatoren van deze avond !
| < Vorige | Volgende > |
|---|


