Een verhaal schrijven over jezelf, is niet zo’n hele moeilijke opgave. Ik zou heel veel kunnen memoreren wat in het verleden is gepasseerd. Weer eens terug kijken op wat voorbij ging. Hoe dingen ook als puzzelstukjes in elkaar vielen, zodat je achteraf moet zeggen dat dingen wonderlijk kunnen gaan. Het heeft ook een gevaar in zich. Door je levensverhaal op te schrijven mag het niet alleen gaan om degene die zijn verhaal weergeeft, maar moet door alles heen worden gezien dat het de Heere God is Die met iedereen een eigen weg gaat. Ook dat er voor Hem niemand meer of minder is. Wij kunnen tegen iemand opkijken, wij hebben mensen die we soms heel belangrijk vinden, maar voor de Heere zijn we allemaal gelijk. Met die gedachte vooraf, wil ik voldoen aan de vraag om iets over mijzelf op papier te zetten.
Mijn wortels liggen in Gouda. Daar stapte in de eerste week van 1965 een trotse vader het stadhuis binnen om de geboorte van z’n eerste kind aan te geven. Al vrij snel kregen mijn ouders in de gaten dat hun zoon gevoelig was voor muziek. Als ik de boel weer eens bij elkaar schreeuwde werd er muziek opgezet. “Daar wordt dat jong tenminste weer stil van.” Soms liep het ook wel eens uit de hand: met mijn neef die één jaar ouder was dan ik, zat ik eens te luisteren naar ‘De slag bij Waterloo’. Als knulletjes van 4 en 5 jaar zaten we met de hoes van de lp in onze hand, de beeldende muziek aandachtig te beluisteren. Alsof we zelf op het slagveld stonden. Op de hoes was een gedeelte van het slagveld te zien met de doden en gewonden. Aangrijpend! “Hoor,” zei m’n neef, toen het slagwerk weer een paar geweer salvo’s lieten horen, “nu schieten ze er weer een neer, en nu die, en die…” Zeer ontdaan van de afbeelding op de hoes met daarbij de beeldende muziek, werd het mij allemaal iets te veel. Boven de wc-pot kwam het zojuist genuttigde eten er met dezelfde vaart weer uit. Beneden in de kelder stond een harmonium: de orgelkruk was te hoog, 3 Van de orgelbank naar de bok 13 dus daarom maar met één voet trappen en met de vingers spelen. De kelder was trouwens ook een unieke plek om kerkje te spelen. M’n neef kon goed praten, dus hij was de dominee, en ik mocht voor organist en kerkenraad spelen. Zo hadden we de taken goed verdeeld. Op achtjarige leeftijd kreeg ik mijn eerste orgellessen. Ons gezin was inmiddels naar Groningen verhuisd. Met mijn orgelleraar trok ik de provincie door om orgels te bekijken en te bespelen. Zo kwamen we ook eens in Hasselt terecht. Dat was de eerste kennismaking met het fantastische instrument. Ik was er zó van onder de indruk, dat ik de eerste twee regels van Psalm 68 niet twee, maar drie keer speelde.
Na vijf jaar in het hoge noorden te hebben gewoond vertrokken we weer naar het westen, en kwamen we in Zoetermeer terecht. De schilderijtjes hingen nog maar nauwelijks op aan de muur, of de verhuisdozen werden weer ingepakt. Mijn vader kreeg een functie bij het RD en na drie maanden ging de weg naar Apeldoorn. Ik ging naar de Van Lodenstein in Amersfoort en kwam daar in contact met de heer Het Jonk. Hij gaf mij orgelles en ik leerde daar het (school)koor begeleiden. Muziek begon een steeds grotere rol in mijn leven te spelen. Zó groot zelfs dat het leerwerk er wel eens onder leed. “Als het maar in muzieknoten stond, hè, dan had je wel een voldoende gehad voor je repetitie.” Zodoende deed ik iets langer over de MAVO dan de meeste leerlingen. Maar goed, je kunt het ook van de positieve kant bekijken: Ik had het er best naar m’n zin.
Er moesten plannen worden gemaakt, wat die studiebol na het vierde jaar van het MAVO zou moeten gaan doen. Inmiddels kreeg ik les van Peter Eilander, dirigeerde ik een kinderkoor, waar het oudste koorlid net zo oud was als de dirigent, en mocht ik hier en daar een koor begeleiden. De keuze was niet zo heel moeilijk: het conservatorium. “Maar dan moet je eerst wel hard studeren, hoor, anders word je met dit niveau echt niet toegelaten.”
In 1982 werd ons mannenkoor opgericht. Wat vond ik het een eer toen op zeker ogenblik een brief op de mat lag met de vraag of ik vaste begeleider van ‘Jeduthun’ wilde worden. Het is voor mij een leerzame tijd geweest. Regelmatig ging ik ’s maandags mee naar Amersfoort om de kunst van het dirigeren af te kijken. Ik heb in die tijd het verschil ervaren tussen een dirigent die het koor dirigeert, en een koor dat de dirigent dirigeert. Ik merkte wat er gebeurde als je de tekst liet spreken. Achter de speeltafel heb ik daar bijzonder fijne momenten gehad. Wat een unieke samenwerking tussen dirigent en organist! Er was niet veel nodig om elkaar te begrijpen. Een enkel handgebaar was duidelijk hoe de dirigent het wilde hebben. De periode als organist heb ik als bijzonder fijn en leerzaam ervaren.
Inmiddels had de Minister van Defensie ook een aardig berichtje gestuurd: ik moest oefenen de vaderlandse bodem te verdedigen; veertien maanden onder de wapenen. De diensttijd kon goed worden gebruikt om me verder voor te bereiden op het Conservatorium. Zo werd ik, na mijn diensttijd, in 1984 toegelaten voor het hoofdvak orgel. In Zwolle heb ik gestudeerd bij Nico Waasdorp. Halverwege de opleiding werd duidelijk dat alleen een orgeldiploma niet genoeg was om de kost te verdienen. Het muziekonderwijs trok mij, maar daar moest ook weer een diploma voor worden gehaald. Daarom ben ik tijdens de opleiding voor orgel ook de opleiding voor mijn onderwijsbevoegdheid gaan volgen.
De periode in Zwolle was een periode van ontzettend veel ervaring opdoen. Ervaringen die met de studie te maken hadden, maar ook (muzikale) ervaringen daarbuiten. Het was een periode van groeien en (af)leren. Je komt in aanraking met zoveel mensen, ideeën, meningen. Van het een kwam vaak het ander: dirigeren, begeleiden, lesgeven, zelf les krijgen. Een periode waarin je met schade en schande moet proberen wijs te worden. Het was ook een periode die bepalend was voor het vervolg van mijn leven.
Ik kreeg verkering; een baan op de Fruytier Scholengemeenschap in Apeldoorn; een gemengd koor in Scherpenzeel; een aantal orgellesleerlingen; een jongerenkoor in Apeldoorn; een mannenkoor in Veenendaal, en ondertussen hard werken voor een diploma. In 1990 trad ik in het huwelijk met Marjon. Dat was ook een onvergetelijke dag. Vooral toen ’s avonds de beide mannenkoren met zakken chips naar binnen kwamen. We hebben de eerste jaren geen chips meer hoeven te kopen!
Ik kan van mezelf zeggen dat ik nogal honkvast ben. Als ik eenmaal ergens ben, ga ik ook niet zomaar weer weg. Zo mocht ik bijna twaalf jaar in Scherpenzeel een gemengd- en kinderkoor dirigeren. Ik had het er best naar mijn zin, maar toen de vraag kwam om ‘Jeduthun’ te dirigeren, was het onmogelijk Scherpenzeel er nog bij te houden. De overgang van de orgelbank naar de “bok”, viel me in het begin erg zwaar. Ik had van nabij meegemaakt hoe de vorige dirigent er een bijzonder mooi koor van had gemaakt. Moest ík nu zo’n koor overnemen…? Dat zou mij nooit lukken. Ik kan nu echter ook zeggen dat het een feest is om zo’n fantastisch koor te mogen hebben! Of, zoals iemand in Goes tegen me zei: “Wees er maar zuinig op.”
Zo mag ik op dit moment, naast ‘Jeduthun’, ook het jongerenkoor ‘Laudate Deum’ uit Apeldoorn en het ‘Veenendaals Christelijk Mannenkoor’ leiden. Deze koren hebben alledrie hetzelfde doel: het zingend uitdragen van Gods Woord. Ik hoop nog vele jaren de kracht te krijgen om het doel van deze koren na te streven. Veel avonden zit mijn vrouw alleen. De zorg voor ons gezin komt voor een groot deel op haar terecht. Toch mogen we samen ervaren dat ook zij daarvoor de kracht krijgt. Terugkijkend zien we dat dingen soms heel reemd liepen, zodat we soms niet wisten hoe het zou gaan. Dingen waar we verdriet over hadden, waarvan we niet begrepen wat de bedoeling was. Nu, achteraf, mogen we zeggen dat het goed is zoals het ging. Daarom: “Niet ons o HEER’, niet ons, maar Uw Naam zij de eer.”
Apeldoorn, Arie Kortleven
Bron: Het boek "Tot U, o God, mijn lofzang op te zenden", wat is uitgegeven ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van Christelijk Mannenkoor Jeduthun in 2006.


